Cellen en organellen

De bouw van een cel

Organismen

Een organisme is een levend wezen. Alle organismen bestaan uit één of meerdere cellen. Door celdeling ontstaan nieuwe cellen.
Binnenin een cel worden stoffen omgezet:

  • Dissimilatie (verbranding: hierbij komt energie vrij)
  • Voorgezette assimilatie (opbouw: dit kost de cel energie)

Organismen vertonen levenskenmerken:

:

  1. Ademhalen
  2. Voortplanting
  3. Stofwisseling
  4. Uitscheiding
  5. Groei en ontwikkeling
  6. Reageren op prikkels

cellen van de levermos, gefotografeerd met behulp van een lichtmicroscoop.

Microscoop

 lichtmicroscoop

De meeste cellen kun je niet met het blote oog zien, maar wel met een lichtmicroscoop. Ook sommige organellen zijn met een lichtmicroscoop waar te nemen (zoals chloroplasten/celkern/celwand). Om  kleinere organellen waar te nemen, is een elektronen microscoop nodig.

De vier rijken

Alle levende wezens op aarde worden in de biologie ingedeeld vier rijken: planten, dieren, schimmels en bacteriën.

De indeling is grotendeels gebaseerd op de bouw van de cellen. De cellen van planten, dieren, schimmels en bacteriën, zijn namelijk verschillend.
Ze verschillen in grootte en bevatten niet allemaal dezelfde organellen.

Een belangrijk onderscheid is het wel of niet aanwezig zijn van een celkern. Als een cel een celkern heeft, noemen we de cel een eukaryotische cel (= eukaryoot). Heeft een cel geen celkern, dan noemen we dit een prokaryotische cel (= prokaryoot). Planten, dieren en schimmels zijn eukaryoten, bacteriën zijn prokaryoten.

 de vier rijken

Cellen en organellen

Organismen bestaan uit één of meerdere cellen. Een cel bevat onderdelen, de organellen, met elk een eigen functie.

Plantencellen

Grootte van de cel: 10-100 µm

Een plantencel bevat de volgende organellen:

      • celmembraan;
      • cytoplasma
      • celwand;
      • celkern (= eukaryoot);
      • (R)ER;
      • ribosomen;
      • Golgi-systeem;
      • transportblaasjes;
      • grote vacuole;
      • bladgroenkorrels (chloroplasten);
      • plastiden;
      • mitochondria;
      • celskelet.

plantencel

Schimmelcellen

Grootte van de cel: 10-100 µm

Bevat de volgende organellen:

      • celmembraan;
      • cytoplasma;
      • celwand;
      • celkern (= eukaryoot);
      • (R)ER;
      • ribosomen;
      • Golgi-systeem;
      • transportblaasjes;
      • grote vacuole;
      • mitochondria;
      • celskelet.

schimmelcel

Dierlijke cellen

Grootte van de cel: 10-100 µm

Een dierlijke cel bevat de volgende organellen:

      • celmembraan
      • cytoplasma;
      • celkern (= eukaryoot);
      • (R)ER;
      • ribosomen;
      • Golgi-systeem;
      • transportblaasjes;
      • mitochondria;
      • lysosomen;
      • celskelet.

        (dus geen celwand!)

dierlijke cel

Bacteriecellen

Grootte van de cel: 1-10 µm

Een bacterie bevat de volgende organellen:

      • celmembraan
      • grondplasma;
      • celwand;
      • kapsel;
      • flagel (soms);
      • DNA ligt los in grondplasma (plasmide = prokaryoot);
      • cirkelvormig chromosoom
      • ribosomen

bacteriecel

De verschillende organellen op een rijtje

organellen

De functies van de organellen
  • celkern: bevat DNA/erfelijke eigenschappen, regelt de productie van eiwitten. Ook in chloroplasten en mitochondria bevindt zich DNA. Al dit DNA samen noemen we het genoom.
  • ER (endoplasmatisch reticulum): netwerk van membranen in het grondplasma waar eiwitten zich doorheen verplaatsen.
    RER = Ruw endoplasmatisch reticulum met daarop ribosomen.
    GER = Glad endoplasmatisch reticulum. ER zonder ribosomen.
  • ribosoom: organel dat eiwitten maakt met behulp van informatie afkomstig van het DNA.
  • Golgi-systeem: platte membraanzakken in het grondplasma die eiwitten sorteren en inpakken.
  • transportblaasje: vervoert eiwitten naar verschillende plaatsen in de cel.
  • vacuole: een blaasje waarin allerlei stoffen zoals water en opgeloste stoffen kunnen worden opgeslagen. Verder zorgt een vacuole o.a. voor stevigheid van de plantencel.
  • chloroplast (bladgroenkorrel): groen gekleurde plasmide, vangt licht op voor de fotosynthese. In chloroplasten zit (circulair) DNA, het zogenaamde chloroplast-DNA.
  • mitochondrium: organel dat is opgebouwd uit membranen. Hierin vindt de aërobe dissimilatie plaats, wat energie voor de cel oplevert. In mitochondria zit mitochondriaal DNA. Omdat bij geslachtelijke voortplanting in de meeste gevallen de vrouwelijke geslachtscel (eicel) het cytoplasma voor de zygote (=bevruchte eicel) levert, erft mitochondriaal DNA via de moeder over op het kind.
  • lysosoom: blaasje met enzymen die grote deeltjes in de cel verteren en oude organellen afbreken. Werkt alleen bij een lage pH (omdat ze anders de hele cel zouden afbreken als ze vrijkomen).
  • celskelet: een groot aantal eiwitdraden in het grondplasma, die de cel vormgeven en waarlangs transportblaasjes zich voortbewegen.
Trilharen

Sommige eencellige diertjes hebben trilharen om zich te kunnen voortbewegen. Zoals bijvoorbeeld het plantoffeldiertje. Trilharen zijn organellen, omdat het onderdelen van de cel zijn.

pantoffeldiertje met trilharen

Ook bij andere dierlijke cellen kunnen we trilharen aantreffen. Zo helpen trilharen in de luchtwegen bij de filtering van de ingeademde lucht. De trilharen verwijderen slijm met daarin bacteriën. Dit slijm wordt richting de keelholte geduwd, waarna het wordt doorgeslikt.

trilharen in de luchtwegen

Verschillen in celbouw tussen de 4 rijken

Ordening van de levende wezens is iets dat mensen hebben bedacht. Doordat een organisme in een bepaalde groep kan worden ingedeeld, heb je meteen al heel wat informatie over dit organisme, omdat deze organismen veel kenmerken met elkaar delen. 

In het filmpje wordt de informatie van deze pagina besproken.

Bacteriën en virussen

Bacteriën en virussen kunnen ziekten veroorzaken. Biologisch gezien zijn bacteriën en virussen echter erg verschillend. Een bacterie bestaat uit een cel met daarin een aantal organellen. Een virus bestaat niet uit een cel.

Een virus kan niet worden ingedeeld bij één van de vier rijken, want een virus is officieel geen organisme. Een virus vertoont namelijk niet alle levenskenmerken die bij organismen horen. Zo heeft een virus geen cellen, geen eigen stofwisseling en heeft een virus cellen van organismen nodig om zich te kunnen vermenigvuldigen. 

Voor meer informatie over virussen klik hier.

virussen

Escherichia coli (E. coli). Een voorbeeld van een bacterie die ziekmakend kan zijn.

Bacteriën bestaan wel uit een cel, maar hebben geen celkern. Ze horen daarom bij de prokaryote organismen. Het DNA ligt los in het grondplasma in de vorm van plasmiden en een cirkelvormig chromosoom. Bacteriën hebben een celwand. Deze celwand kan niet tegen antibiotica.

bacterie

De plasmide van  een bacterie bestaat uit dezelfde basen als andere organismen gebruiken; A-T-C-G’s. DNA is universeel.

plasmide met de vier basen

Parts of the figures were drawn by using pictures from Servier Medical Art. Servier Medical Art by Servier is licensed under a Creative Commons Attribution 3.0 Unported License (https://creativecommons.org/licenses/by/3.0/).