Evolutie

Genetic drift

Evolutie

Evolutietheorie =  theorie over het ontstaan en de ontwikkeling van het leven; soorten veranderen en er ontstaan nieuwe soorten.

Bij de evolutie gaat het erom dat de genen (het DNA) in het nageslacht komt. Je kijkt steeds wie dat (al dan niet door toeval) lukt of wie daar de meeste kans op heeft. 

Genetic drift is samen met natuurlijke selectie en seksuele selectie de drijvende kracht achter de evolutie.

Toevallige verschuiving van allelfrequenties

Genetische drift zorgt ervoor dat de allelfrequentie binnen een populatie kan toenemen of afnemen. Dit berust op toeval. Het effect van genetic drift is het grootste bij kleine populaties. Genetic drift heeft een homogeniserend effect; de hele populatie wordt homozygoot recessief (aa) of homozygoot dominant (AA). De populatie is gefixeerd.

Bron: biojuf.nl

Reproductieve isolatie

Als organismen van een populatie van elkaar gescheiden worden, krijg je twee populaties omdat ze niet meer met elkaar kunnen voortplanten. Door deze isolatie verschijnen er kleinere populaties. Hoe kleiner de populatie, hoe groter het effect van genetic drift.

Reproductieve isolatie kan op vier manieren plaatsvinden:

  1. door ruimte
  2. door verschil in gedrag
  3. door veranderd uiterlijk
  4. door verschil in tijd

Bron: biojuf.nl

Bron: biojuf.nl

Founder effect

Als door een toevallige gebeurtenis (zoals een windvlaag) een deel van een populaties ergens anders een nieuwe populatie sticht, spreken we over het founder effect. Door het founder effect is er kans op verlies van genetische variatie. De nieuwe populatie is kleiner en bevat niet alle mogelijke genotypen van de oorspronkelijke populatie.

Er is alleen sprake van het Founder effect als de nieuwe populatie toevallig gevormd is; er mag geen sprake zijn van natuurlijke selectie.

Bottleneck effect

Bij het bottleneck (flessenhals) effect is er een drastische afname in de populatiegrootte door een omgevingsfactor als een aardbeving, brand, vloedgolf. Puur door toeval overleeft het ene organisme wel en het andere niet. Bij het bottleneck effect is er geen sprake van natuurlijke selectie. Alsof je met een fles schudt en er bij toeval sommige organismen met een bepaald genotype uitglippen en andere vast blijven zitten. Degenen die overleven vormen de nieuwe populatie, waarin niet persé de oorspronkelijke allelfrequentie aanwezig is.